De broertjes
ormaal gesproken word ik nooit zo gegrepen door nieuws dat zo uitgebreid behandeld wordt dat je er niet meer omheen komt. Om het oneerbiedig te zeggen, bijna als een hype, waar heel Nederland zo ver in mee gaat, dat het bijna onecht wordt. Natuurlijk vind ik het dan heus wel erg allemaal, maar denk ook aan al die andere kinderen, mensen, dieren, die leed worden aangedaan, wat nooit in het nieuws komt, of waar überhaupt niemand ooit aandacht aan besteed.
Maar ditmaal raakt het me wel heel erg. Het was het eerste waar ik aan dacht vanochtend bij het wakker worden. Misschien omdat het kinderen zijn uit de leeftijdsgroep van mijn eigen kinderen en omdat kinderleed nog net dat beetje moeilijker te verkroppen is. Misschien omdat ik als alleenstaande moeder maar al te goed weet hoe vanzelfsprekend je je kinderen in vertrouwen aan een vader mee geeft. Misschien omdat die foto’s van die blije jongetjes, met sprankelende ogen zo op het netvlies blijft staan.
Maar ik heb er ook andere gedachten bij. Alleen al het feit dat iedereen weet wie ik bedoel met de kop “de broertjes”, zegt al een heleboel, maar ik zie het bijna als een synoniem voor al die kinderen die worden ontvoerd en vermoord of anderszins slachtoffer worden. Het is geen zeldzaamheid: lijden bij scheiden. En natuurlijk ontaardt het zelden in zulke extreme drama’s, maar toch te vaak, en ik vermoed dat lang niet alles zo uitgebreid in het nieuws komt.
Als ik me probeer voor te stellen hoe wanhopig een vader kan zijn, hoe groot de wrok is, hoe psychisch in de war iemand moet zijn voor zo’n daad, dan kom ik niet heel ver. En er rijzen meer vragen: zou de moeder echt niets hebben kunnen vermoeden, als ik lees dat ze eerder bij hulpinstanties heeft aangeklopt, omdat de vader sprak over mogelijke familiedrama’s.
Maar boven al die vragen en gedachten stijgt toch weer ander gevoel uit: het gevoel dat het niet klopt om hier zo mee bezig te zijn, dat het toch neigt naar ramptoerisme, hoezeer ik daar ook van walg. Dat het speculeren zo weinig zinvol is. Dat dit alles mijn zaken niet zijn. Dat het zo weinig respectvol is om alle scenario’s uit te denken. Dat geen enkele buitenstaander iets kan doen om de moeder, de ouders van de vader en de overige familie en nabestaanden te helpen.
Ik las her en der enorme haatuitspraken naar de vader toe, maar ik geloof niet dat daar iemand bij is gebaat. Ik hoop maar één ding en dat is dat de slachtoffers snel de rust krijgen van de media en meelevend Nederland om dit te verwerken.
Naamloos fenomeen?
oms heb ik in een flits een herinnering die ik niet ken. Een kort, maar duidelijk en helder beeld van een “ervaring uit het verleden” die ik me niet kan herinneren en waarvan het ook zeer onlogisch is dat ik het meegemaakt zou hebben.
Het trekt gewoon een fractie van een moment aan mijn geestesoog voorbij. Meestal geprikkeld door een geur, een lichtval, geluid of sfeer. Juist omdat ik dergelijke beelden niet kan koppelen aan een herinnering, blijf ik er vaak lang mee rondlopen. Wat zijn het voor een beelden, vraag ik me dan af, ik kan me ook niet herinneren dat ik ze uit een film, of boek heb gehaald en dat mijn brein er onbewust mee aan de haal gaat alsof het ooit mijn eigen beleving was.
Ik zal vast niet de enige zijn die wel eens zoiets ervaart. De vraag is alleen, is er een naam voor? Ergens komen of iets ervaren waarvan je heel sterk het gevoel hebt het eerder mee te hebben gemaakt, heet een déjà vu, maar hoe heet het als je je zomaar iets herinnert wat je niet hebt meegemaakt?
Ze snappen het niet
eestal kan ik er prima tegen, maar een enkele keer voel ik een lichte, amper noemenswaardige frustratie opborrelen in de verre uithoeken van mijn zesde chakra. Dan heb ik het over het gemak waarop mensen zich afvragen of ik het niet eens tijd wordt om mijn rijbewijs te halen. Of dat ze zich lachend afvragen of ik dan echt nooit de behoefte heb gevoeld rijlessen te nemen. En als ik ze dan uitleg dat ik er alleen geld voor had toen ik 18 was, maar toen altijd ver van huis was en dat ik, toen ik er wel de tijd voor had, nooit meer ook maar even over de financiële middelen heb beschikt, dan zie ik ze schrikken. Of ze kijken me licht verwonderd aan, soms zelfs met een halve lach van ongeloof.
Het zijn de mensen die niet begrijpen dat ik nooit op vakantie kan gaan – nee, ook niet voor een paar honderd euro op een camping – en dus ook mijn kinderen laat opgroeien zonder ze ooit op vakantie te hebben kunnen nemen. Het zijn de mensen die denken dat het luiheid is en niet begrijpen dat dit ooit een bewuste keuze was, omdat ik fulltime moeder wilde zijn. Het zijn de mensen die oordelen dat ik nu door gewijzigde omstandigheden een uitkering heb, terwijl ik inmiddels dolgraag aan het werk wil, maar dat de arbeidsmarkt me niet wil, omdat ik te “oud” en te onervaren ben. Zelfs voor inpak- en schoonmaakwerk kreeg ik een afwijzing, omdat mijn profiel niet aansloot bij mijn werkzaamheden.
Het zijn de mensen die roepen dat uitkeringstrekkers het maar reuze makkelijk hebben met al die toeslagen en kwijtscheldingen, terwijl zij er zelf keihard voor werken. Het zijn zij die er niet bij stilstaan dat het iedere maand weer worstelen is om alle vaste lasten te kunnen betalen, die niet weten hoe het is om nooit meer dan een paar honderd euro te kunnen sparen, die je vervolgens weer nodig hebt in maanden waarop er meer onkosten zijn. En die zich niet kunnen voorstellen hoe het is om, wanneer je een nieuwe broek nodig hebt, te hopen dat er eentje bij de kringloop hangt die een beetje goed zit en niet al te erg afwijkt van je eigen smaak en dan soms noodgedwongen een te grote koopt die je vast snoert met veiligheidsspelden. Of om blij te zijn met een paar lege statiegeldflessen achter de hand.
Het zijn mensen die roepen dat ik het toch prima voor elkaar heb in mijn fijne huis, maar niet beseffen dat verreweg de meeste spullen zijn gekregen, betaald van verjaardagsgeld of van de rommelmarkt/kringloop komen. En vervolgens zeggen dat ik toch ook dagjes weg ga, en dat ik van dat geld ook op vakantie kan, maar niet kunnen bedenken dat ik alleen weg ga met toevallig gekregen vrijkaartjes, enorme kortingskaarten, goedkope en beperkte treinkaarten van de Kruidvat of Hema, en een museumjaarkaart.
Maar afgezien van die enkele keer die me nu uiteindelijk dit stukje tekst laat schrijven, vind ik niet dat ik beklagenswaardig ben, en al helemaal niet dat ik mij moet verantwoorden. Al zou ik natuurlijk graag mijn rijbewijs hebben, en heb ik er veel voor over om ooit nog eens met mijn kinderen op vakantie te gaan. Maar desondanks schrijf ik het, omdat het soms, heel soms, toch wel een beetje aan me knaagt.
Batterij
r breken drukke tijden aan. De vakantie is voorbij en de scholen beginnen aan het laatste deel van de rit. Tevens doen mijn oudste twee de komende twee weken eindexamen. Twee weken lang zwoegen, zweten, en zo stil mogelijk zijn.
Wat de uitslagen ook zullen wezen (ik heb er goed vertrouwen in), meer roerige tijden volgen vanzelf met twee verhuizingen in de agenda: de oudste die op kamers gaat en de rest van het gezin mag eveneens gaan verhuizen. Immers, wie het nog niet heeft gelezen op Facebook: half juli krijgen we de sleutels van een nieuwe woning; een oude boerderij uit de 19e eeuw, met méér dan genoeg ruimte voor iedereen: een prettig vooruitzicht.
Dan hebben we het nog niet over de overige zaken die op de achtergrond spelen: wandelvierdaagse (waarbij ik zelf ook meeloop), zindelijk worden van de jongste, werkstuk en spreekbeurt in de wachtrij, balletopvoering, schoolreisje, kamp, nog een aantal vrije dagen, schoolmusical, cursussen, en tal van zaken die moeten worden geregeld voor de vervolgopleiding van de oudste twee. De komende weken zal het aanpoten worden, met hopelijk wederkerende rust in de nazomer.
Maar gisteren had ik een heerlijk rustige Moederdag met mijn oudste dochter in het Rijksmuseum. Mijn batterij is opgeladen, ik ben benieuwd hoe lang hij het volhoudt.

Het bikiniverdrag
et is een vreemd fenomeen, mensen schamen zich voor hun lijf; ze smeren rimpels dicht, kopen afslankpillen en zorgen voor kleding die gunstig aftekent en zoveel mogelijk ontsierende delen bedekt. De meesten zouden niet snel in hun ondergoed de gordijnen opendoen. En als zij die gêne niet zouden kennen, dan worden ze ongetwijfeld door de buurt bestempeld als exhibitionist. Want het is ook nog eens aanstootgevend, mooi lijf of niet. Maar op een strand of in een zwembad, dan worden alle principes en scrupules overboord gegooid en zie je medemens ineens in kledingschaarste rondwandelen.
Gunstig afkledende jurken, figuurcorrigerende hemden en kwabverbergende taillebroeken worden verruild voor weinig verhullende badkleding en niemand kent meer schaamte voor zijn of haar lichaam. Vandaag in het zwembad was ik ongewild getuige van glanzende bierpensen, drillende dijen, uitpuilende vetranden en al wat het menselijk lichaam theoretisch gezien ontsiert. Nou kan niet iedereen het helpen dat hij of zij een maat meer heeft, maar het is toch vreemd dat in de buurt van water niemand meer moeite heeft zijn lijf tentoon te stellen aan de buitenwereld. Het is rondom zwemgelegenheden algemeen aanvaard, van aanstoot nemen is geen sprake, als een soort ongeschreven bikiniverdrag.
De mens zit toch maar raar in elkaar.
Time flies toch wel, met of zonder having fun.
erwijl ik nog niet helemaal ben verlost van de luiers – en alvorens ik word verdacht van incontinentieproblematiek, ik doel hierbij niet op mijzelf, maar op mijn jongste kind – maken mijn oudste twee zich op voor het eindexamen. Een heel nieuw tijdperk breekt aan. Van werkende en studerende kinderen. Van op kamers gaan. Van (daar is ‘ie weer:) loslaten.
De diversiteit binnen het gezin wordt steeds groter, maar nog even en ik heb (voor heel even) geen middelbare school kinderen meer. Het is keer op keer een raar besef dat tijd zo’n vluchtig fenomeen is, waar geen grip op te krijgen is.
Steeds duidelijker wordt ook de betekenis van het welbekende advies aan zowel ouders als kinderen: “geniet van die kindertijd, voor je het weet is het voorbij”. Dat zinnetje waarover ik destijds met een opstandige kleuter aan de hand, een baby op de arm, de spuugklodders op mijn schouders en de zure lucht nog in mijn neus, niet veel anders kon denken dan een “ja-ja…”.
In de loop der jaren ontbrak het me regelmatig aan tijd om er voldoende bij stil te staan: die wonderlijke ontwikkeling van baby naar volwassene, al groeide met het aantal kinderen niet alleen het gebrek aan tijd maar ook het besef dat het allemaal echt nooit meer terug komt. Ik kan niet anders dan toegeven dat het bovengenoemde advies meer is dan een nietszeggend cliché.
Zondag
n mijn jeugdjaren waren de zondagen heilig, of je nu gelovig was of niet. In mijn straat mocht niet iedereen buiten spelen, wij mochten dat wel, maar alleen zonder te schreeuwen of anderszins lawaai te maken. Was ophangen of de auto wassen op zondag was uit den boze, gras maaien of zagen was al helemaal ondenkbaar. Op zondag was je rustig, kalm en stil en als je wel wat wilde doen, dan deed je dat binnen, bij voorkeur zo dat niemand je zondes zag.
Dat heb ik een beetje meegenomen naar mijn huidige leven, maar ik merk steeds meer dat ik daarin een uitzondering ben. Zeker nu ik in een wat meer dichtbevolkte buurt woon, is het geen uitzondering dat iemand op zondag aan het zagen en timmeren is. Ik ben in de loop der jaren wel wat makkelijker geworden; mijn wasje hangt immers gewoon wapperend aan de lijnen op deze rustdag. Maar mijn gras heb ik toch snel nog even gisterenavond gemaaid, omdat ik het vandaag niet wilde doen.
Dit alles niet omdat ik zelf religieus ben of zoveel waarde hecht aan zondagsstilte, maar uit respect voor anderen. Nu vraag ik mij echter af, wat is normaal in deze tijd. Hoe doen jullie dat, met name zij die in woonwijken wonen? Wat kan wel, wat kan niet?
Bloedend tuinhart
ij mijn huidig onderkomen is mijn voortuin al niet de mooist denkbare, maar de achtertuin is gewoonweg een verschrikking. Prominent aanwezig is een klein veldje met 60% mos, 20% onkruid en hier en daar een grasspriet die doet vermoeden dat het ooit een grasveld was. Naast een terras is er nog een gigantische heg, zijn er wat takken die in betere tijden konden doorgaan voor struikgewas en was er toen ik er kwam wonen een flinke lap zwarte, lege grond. Laatstgenoemde is inmiddels ingezaaid met graszaad, wat fris en groen opkomt en vreemd afsteekt tegen het gelige grasmosveldje.
Mijn tuinvrouwenhart kon er niet langer tegen: de bijna drie meter hoge heg was zo lelijk uitgelopen aan de bovenkant, daar moest een stuk af. Waarom – zal men zich afvragen, ik woon hier immers niet lang meer – maar na vijf buitendagen kwam ik tot de conclusie dat ik die lange uitschieters geestelijk niet kon verdragen.
Op een wankel keukentrappetje kon ik er met een telescopische heggenschaar, rekkend, strekkend, op mijn tenen wiebelend, net bij. Nu ziet de heg met zijn kale plekken er nog steeds niet uit, maar de rare uitsteeksels zijn er af.
Ook heb ik een kale hoek, die ik – om duistere reden die mijzelf ook onbekend zijn – niet met graszaad heb bestrooid, tegen mijn lege voornemens in beplant met samenraapsels. Te weten: de kerstboom die nog in een pot stond, wat planten die in de voortuin best gemist konden worden, stekjes en wat onkruid met sierwaarde. Een hovenier zou er gillend van wegrennen, maar het is groen, al dan niet in de toekomst voorzien van bloem.
Nu ben ik extreem moe, maar niet eens voldaan, want het totaalplaatje is nog steeds een doorn in het oog. Maar dan troost ik mij weer met de gedachten dat ik hier toch niet blijf wonen.
Tijdgoochelaar
nlangs heb ik mijn dagindeling verrijkt met een opleiding. Thuisstudie, want fysieke schoolbanken zijn logistiek gezien niet te verenigen met mijn leven. Eigenlijk staan er zelfs twee opleidingen op de planning. De eerste duurt vier maanden, de tweede tien. Veertien maanden in totaal, dat is te overzien. Vijf jaar HAVO heb ik immers ook overleefd. Vooral die eerste cursus, daarmee kan weinig mis gaan zou je denken.
Sinds begin april, toen ik dit ben avontuur aangegaan, lukt het me echter nog niet om in een fatsoenlijk huishoud-moederschap-tuinier-hobby-ontspanning-leer-ritme te komen. Niet één uit het rijtje laat zich schrappen, dus het is een beetje goochelen met tijd. Ik loop in drie weken tijd al één hoofdstuk achter, dat belooft wat voor de toekomstige dertien maanden.
Gelukkig is de motivatie inmiddels pruttelend op gang gekomen, nu nog even leren plannen. Ik heb echter goede hoop dat ik na twintig jaar studieloosheid mijn breincapaciteit weer succesvol kan uitbreiden. Over iets meer dan een jaar weet ik of er sprake was van overmoed. Tot die tijd goochel ik verder met de tijd.
Tuin (sorry Maurice)
et is vast geen geheim dat ik van tuinieren houd. Buiten zijn, met de blote handen in de koude grond wroeten, de zon in de rug – menig zwijntje zal er jaloers van worden – het is voor mij ultiem geluk en hoe hard ik ook werk, het geeft me rust. Mijn huidige tuin is naar stadse begrippen groot, maar vergeleken bij wat ik ben gewend, een microflora. Toen ik hier kwam wonen zag ik echter allerlei mogelijkheden met het maagdelijk stuk lege, zwarte aarde achter het huis. Maar nu, met de wetenschap dat ik hier waarschijnlijk deze zomer alweer zal vertrekken, heb ik die plannen laten varen en verruild voor het inzaaien van gras, dat inmiddels al begint op te komen.
Gelukkig is er nog genoeg ander werk te verrichten, al heb ik ook besloten het snoeien zo minimaal mogelijk te doen, ik heb er geen profijt van en wel veel afval, waarvoor ik nog moet betalen ook. Kortom, het wordt een karig tuinjaar voor mij.
Toch is er ook in een kleine tuin genoeg te zien. En het is zelfs een beetje een verrassing, want ik heb geen flauw benul wat er op komt of welke kleuren ik straks te zien krijg. Dat is toch iets. En dan nu maar afwachten wat voor een tuin een nieuw huis op gaat leveren voor mijn wroet-grage vingers.





